Geplaatst door: 
Verhaal

Wim Roetert: 'Een nieuwkomer moet eigenlijk vragen of hij buur mag worden'

'Deze buurt heet de Randershoek, vroeger ook wel Roetertshoek. We hebben acht of negen buren aan de Sallandsweg tot aan het spoor. Tegenover ons woonden vroeger onze naaste buren. Dat waren een oom en tante van mijn vader. Als er nood was, zoals ziekte of overlijden, kwamen de buren helpen. Dat was nog echte nabuurschap. Een jaar of 20 geleden, toen de buurvrouw overleed, heb ik daar nog geholpen met het dagelijkse werk. De vrouwen hielpen in het voorhuis. De boerenkerels deden het vaak onder voor de boerenvrouwen.

Met zaaien, hooien of rogge binnenhalen sprongen de buren ook wel eens bij. Met dorsen ging je de buurt rond. In de jaren ’30 kwam hier al een particulier met een dorsmachine. De ging van boerderij naar boerderij. Als je ertoe in staat was, moest je jezelf redden. Boeren met één paard op stal werkten wel vaak samen. Wij zijn ook lid van de Bedrijfshulpverlening geworden. Dat kun je haast niet riskeren. Je moet wel bij de tijd blijven. “Vooraan lopen moet je niet doen”, zei mijn vader altijd, “maar je moet ook niet achteraan lopen.”

De hele maand januari was nieuwjaarsvisite. Dan ging je bij de buren langs om nieuwjaar te wensen. Er werd daarbij flink gedronken. De ene keer kwam je hier, de andere keer daar.”‘Je bent nog niet op nieuwjaarsvisite geweest?” Dan kreeg je koffie en een borrel. Meestal ging je ’s avonds of zondags. Zo ging je alle buren af. En ze kwamen ook allemaal een keer hier. Dat bracht een zekere binding. Je sprak elkaar nog eens. Nu is dat vrijwel weg. De visite ging meestal even naar buiten om de gewassen te bekijken. De akkers hadden een visitekantje. “Oh, wat heb je toch een beste rogge! En wat een beste suikerwortels!” Hoe meer ze pochten, hoe meer borrels ze kregen.

Vroeger had je hier nog breulfteneugers. Mijn nicht kwam hier op de fiets om ons uit te nodigen voor de bruiloft van een oudere neef. Ik mocht niet mee van mijn ouders. Ik was te jong. Dat blijft je bij. In 1954 ben ik zelf getrouwd. We hadden dekkleden op de deel gehangen, vanaf de zolder naar beneden. Donderdagavond eerst de oude buren; de volgende dag de jonge buren. Met voordrachten en harmonica. Dansen deed je niet, drinken wel. Toen waren er veel meer dronken dan nu. Je kreeg allemaal jenever. Dat was je helemaal niet gewend. Op het eind lagen velen  voor pampus. De buren deden wat nodig was. Zelf zorgden we ervoor dat er drinken en wat lekkers was.

Bij een bruiloft kwamen de buren versieren. Een avond van tevoren werd een stoel of een boog versierd met dennengroen en natuurlijke of kunstbloemen. Het mooimaken deden de mannen, het afbreken de vrouwen. De boog stond meestal bij de inrit. Later moest deze hoger gemaakt worden, omdat de tankwagen eronderdoor moest kunnen. Het mooimaken is gebleven. De één staat de hele avond te prevelen, een ander is de hele avond aan het werk. Ze komen altijd een dag van tevoren. Als de boog staat, wordt die natgemaakt. Dan drink je een borreltje met elkaar. 

Als er een kind was geboren of bij een sterfgeval, kreeg de naaste buurman dat als eerste te horen. Die ging de buurt rond. Vaak moest de buurman ook mee om aangifte te doen. De buurvrouwen kwamen na 14 dagen met een krentenwegge op kraamvisite. Die werd direct aangesneden. De zorg voor moeder en kind lag niet bij de buurvrouwen. Hier aan de dijk woonde een baakster. Die werd gehaald zodra de bevalling begon.

Vroeger moest je acht buren hebben om voldoende dragers voor de lijkkist te hebben. Het oude gebruik was dat de kist op een wagen werd gezet en de naaste buren op de kist gingen zitten. Dat is later afgeschaft. Mijn moeder en grootmoeder zijn in 1938 overleden. Zij zijn met de lijkwagen met twee paarden vervoerd. Het afleggen gebeurde nog door de buren. Een overledene moest ook aangezegd worden. Dan gingen de buren op pad om het bericht van overlijden te doen. De buren luidden ook vaak de klokken bij de uitvaart. Ik weet nog dat mijn grootmoeder zei: “Je moet de touwen laten vieren en dan weer trekken.” In mijn jeugd luidden de klokken al automatisch.

Toen mijn vrouw verleden jaar overleden is, hebben we de condoleance hier aan huis gehad. De begrafenisvereniging  heeft het geregeld. We hebben bij elkaar gezeten en gezegd: “Zo zijn wij het gewend.” Ze hebben een tent op het erf gezet, de koffie verzorgd en al zo meer. Wij hoefden verder niks te doen. Dat is nu nabuurschap: dat je elkaar helpt als er nood is. Het dragen van de kist gebeurde niet door de buren. De kleinkinderen hebben mijn vrouw gedragen.

Wij zijn de enige boeren nog hier in de buurschap. Een nieuwkomer moet eigenlijk de buren af om te vragen of hij buur mag worden. Dat doen ze niet altijd, maar dan ga ik erheen. “Je bent hier toch komen wonen?” Ze weten het ook vaak niet. Er zijn er hier twee die ook zomaar zijn gekomen. Toen ze 25 jaar getrouwd waren, hebben ze een feest gegeven en zijn ze buren geworden. Je woont dicht bij elkaar. In de stad kennen ze hun eigen buren nog niet!

Ieder jaar is er een buurtfeest. Dat is voor de wijde omtrek, heel Rande aan deze kant van het spoor. Verder zien we elkaar als buren niet zo vaak meer. Er is veel verarming door de weelde. Wat is dan weelde? Een hoop ongemak onder elkaar? Ik, ik, ik, is bij sommigen de hoofdzaak. Maar je moet wel met elkaar leven. Je leeft maar één keer. Je komt met niks en je gaat met niks.'

Reacties