Geplaatst door: 
Verhaal

Suze Boomkamp: 'Vader moest de boerderij overnemen'

‘Mijn vader Johan Derkman was van 23 januari 1913. Hij kwam uit een groot gezin: hij had vijf zussen en twee broers onder zich. In zijn jeugdjaren heeft hij op de middelbare landbouwschool in Raalte gezeten. Hij wilde eigenlijk bij de landbouwvoorlichting, maar dat ging niet als oudste zoon. In Twente moest de oudste zoon de boerderij overnemen. Dat is geen willen, maar een moeten. Ik heb meegemaakt dat mijn opa en de twee jongste broers van mijn vader hier nog in huis woonden, met nog een ongetrouwde tante. Wij zijn in een heel gevarieerd gezin opgevoed.

Het Elferman was oorspronkelijk een bedrijf van 250 hectare. Mijn opa zat in de gemeenteraad, was dominant, werkte niet, delegeerde alleen maar. Dat was een andere tak van sport. Hij had zes knechten. Alle boerderijtjes hier in de omgeving hoorden bij de boerderij. Dat noemen ze het wönnespul. Dat is allemaal verdeeld: de broers kregen als ze uit huis gingen 11 hectare mee en acht koeien, ook al hadden ze geen boerderij; de dochters kregen 3000 gulden mee. In Groningen en Friesland zijn de boerderijen allemaal bij elkaar gebleven, maar in Overijssel niet. Mijn vader raakte zijn goede grond aan zijn broers kwijt, maar moest die wel voor hen bewerken. Hij hield 25 hectare over, de bosgrond inbegrepen. Er was nog één vaste knecht. Die is vertrokken toen ik 16 was.

Mijn moeder Joanna Holtslag kwam uit Steenderen in Gelderland. Zij was van 9 augustus 1911. Die zat in haar jeugd al in het bestuur van de KJV (Katholieke Jongeren Vereniging). Zij vond het heel belangrijk dat de agrarische vrouwen zich ontwikkelden, dat ze met de tijd meegingen. Zij is landelijk altijd actief geweest bij de ABTB (Aartsdiocesane rooms-katholieke Boeren en Tuinders Bond), samen met juffrouw Merkx uit Arnhem. Ze is in Twente komen wonen toe ze 17 jaar oud was. Haar vader had reuma. Ze hadden een boerderij aan de IJssel. 's Winters liep het onder water. Ze hadden een boot bij huis liggen. Toen zijn ze naar de rand van Losser verhuisd, het Egbertink tegenover de ijsbaan. Daar hebben ze een boerderij in Gelderse stijl gebouwd, zo'n groot herenhuis, met een zuivelwinkel in het dorp. Ze maakten karnemelk en boter en verkochten die in het dorp.

Ze heeft mijn vader ontmoet op een feest. Door de oorlog zijn ze pas jaren later getrouwd, pas in 1947. Anderhalf jaar later is mijn zus geboren. Daarna ben ik geboren. Dan heb ik nog twee zussen onder mij, maar die zijn allebei overleden. Mijn vader heeft altijd met vrouwen opgetrokken. Hij is er één van een tweeling en had vijf zussen onder zich en dan twee broers. Zijn vrouw had ook vier zussen. Dat hij geen zonen had, was voor hem geen probleem. Hij ging er altijd van uit: als je je maar ontwikkelt, kun je nog alle kanten uit.

Mijn oudste zus is fysiotherapeut geworden. Die is gaan studeren. Ik zat in de verpleging. Mijn jongste zusje zat op de Pabo. Niemand wou de boerderij overnemen in die jaren. Wij waren wel 40 jaar jonger dan onze ouders. Mijn vader zei altijd: “Zorg dat je een studie volgt waar je je later zelfstandig mee kunt redden.” Hij vond het geen punt dat niemand het bedrijf wou overnemen, omdat hij het zelf móest en eigenlijk iets anders wou. Maar in mijn jeugd werd daarover niet gesproken. Mijn vader was eigenlijk bang voor zijn vader, omdat die zo dominant was. Opa was jong weduwnaar geworden met negen kinderen en iedereen moest luisteren naar zijn gezag. Toen mijn moeder hier kwam wonen, werd er nog gescheiden thee gedronken. Nee, zei mij moeder, in Gelderland drinkt iedereen, knecht of niet, op een vast tijdstip thee met elkaar. Dat heeft toch een omslag gegeven. Mijn moeder kon dat maken.'

Reacties