Geplaatst door: 
Verhaal

Suze Boomkamp: 'Bij alle grote boeren werkten landlopers'

'In de zomer hadden we altijd een stel landlopers uit Veenhuizen op de boerderij. Ze sliepen in het bun: een afgetimmerd bovenkamertje aan de achterkant van de boerderij, aan weerszijden van het onderschoer. Vroeger werden die kamertjes gebruikt voor marskramers uit Duitsland, zoals de Brenninkmijers van het latere C&A. 's Ochtends kregen ze een plak brood met koffie en dan vertrokken ze weer. De knecht sliep in een eigen kamertje voorop de deel, zodat hij het vee in de gaten kon houden.

Het was een slechte tijd. Er was veel armoede. De mensen raakten aan de drank. Dan hadden ze een fles jenever en waren ze hun verdriet even kwijt. Ze raakten aan het zwerven. Het waren allemaal vrijgezelle mannen. De vrouwen deden dienst als naaister of hulp in de huishouding. De mannen zwierven van boerderij naar boerderij. Daar hadden ze hun onderdak en kregen ze soms te eten.

's Winters zaten ze in het gesticht. In het voorjaar werden ze weer losgelaten. Dan kreeg mijn vader een telefoontje uit Veenhuizen of hij weer twee mensen kon gebruiken op de boerderij. Ze zwierven tot oktober, november. Daarna gingen ze weer naar de gevangenis. Katten-Jans, Toon de Rode en Doornroosje waren hier vaste klanten. De landlopers verrichten het losse werk wat bleef liggen. Ze moesten alle sloten schoon steken met de schop: alle onkruid eruit, wallen bijhouden, gewoon handwerk. Akkerbouw gebeurde niet door hen. Daar moest je secuur voor zijn. In ruil voor het werk kregen ze onderdak en te eten. In het bun hadden ze een eigen bed met strozak en een opbergkast. Na 2 à 3 weken trokken ze weer verder naar een andere boer. Ze werkten bij alle grote boeren in de omgeving.

In het weekend zorgde mijn vader - dat deed niemand - voor schone kleding van de wasserij. Dan werden ze in het bakhuus omgekleed en verschoond. Die was ging weer naar de wasserij. Mijn vader hamerde erop: vrijdag ben je hier of anders zaterdag, anders haal ik je op. Zo kregen ze een keer in de week schone plunje. Soms kwam er een vriend mee, die ze onderweg opgepikt hadden. Als ze elkaar ontmoetten, dan ging het mis en waren ze laveloos. Aan het einde van de week kregen ze wat zakgeld. Daar kochten ze jenever van in het dorp. Dan lagen ze dronken achter op de deel of boven in het hooi. Een broer van mijn vader gooide eens een touw over de balk en bond deze aan de ladder. Mijn opa zei: “Hup naar boven!” De landloper wilde naar boven, maar mijn oom trekken aan dat touw! Dan ging die ladder omhoog en liet hij hem met een klap vallen.

Wij groeiden er mee op. Als we 's ochtends naar school gingen, lagen die gasten vaak op deel te slapen. Alle deuren waren open. Iedereen kon gewoon naar binnen. Daar werd niet moeilijk over gedaan. Mijn opa domineerde, want die was altijd thuis. Ze deden alles voor opa. “Je kunt hier komen. Daar kun je liggen. Zo niet, dan hoef je hier nooit weer te komen.” De jongens uit de buurt plaagden de landlopers wel eens. Dan lagen ze in de hooiberg en gooiden zij met steentjes naar hen of pakten ze de fles af.

Katten-Jans verzamelde katten. Daar ging hij de boer mee op. Hij had een doos op zijn rug waar hij de katten in had. Die verhandelde hij aan de boeren om muizen mee te vangen. Als hij hier was, ging hij 's ochtends naar de kerk en waste zich met wijwater. Dan belde hij aan bij het klooster en kreeg hij daar een boterham. Hij was toen al 65. Dat was heel oud als je zo'n leven lijdt. Later heeft mijn vader hem met de platte wagen opgehaald bij de kerk in Beuningen. In een auto wilde hij niet. We hebben hem hier omgekleed. En hup, naar het bejaardentehuis in Losser. Daar is hij binnen een jaar overleden.'

Reacties