Geplaatst door: 
Verhaal

Johan te Lintelo: 'Ik had behoorlijk veel handel. Dat konden anderen niet aanzien'

'De ene maandag was in Oldenzaal veemarkt, de andere maandag in Rijssen. Daar handelden we in koeien en varkens. Dan ging je ’s nachts om twee à drie uur weg. Je verkocht de koeien voordat de markt om zes uur begon. Dan had je de winst op zak. Morgenstond heeft goud in de mond. Later gingen we naar de markt in Doetinchem en Zwolle. De kleine markten vielen in de jaren ‘60 weg. In Twente bleef geen veemarkt over. Er was te weinig aanbod. Ik ging wekelijks met mijn vrachtwagentje naar de markt: op dinsdags naar Doetinchem en vrijdag naar Zwolle.

Handel moet je in de praktijk leren. Als ik terugkwam van de markt, zei mijn vader: “Heb je die koeien over gehouden of heb je ze gekocht?” Ik zeg: “Die heb ik over gehouden.” “Domme jongen!”, zei hij. “Die moest je verkopen. Nieuw waar, nieuw geluk. Weg met dat spul!” Dat was ook zo. Je moest die koeien op stal of in de wei voeren en een week later maakte je weer vrachtkosten. Dan konden de prijzen wel beter zijn, maar als je gelijk bleef, was je al blij. Ik heb veel koeien verkocht ook als het een slechte markt was.  

Je verkocht in de roes [per stuk] of per kilo. Dat kon je zelf bepalen. Als je het niet eens kon worden over het geschatte gewicht, dan verkocht je vaak per kilo. Ik had eenmaal een slager aan wie ik al regelmatig had verkocht. Hij kon een koe krijgen in de roes, maar hij vond hem veel te duur. “Vooruit jongen, in de kilo.” Dan werd de koe door een erkende weger gewogen. Hij moest zestig gulden meer betalen! Hij is nooit weer geweest. Als je in de roes verkocht, werd die koe niet gewogen. Dat hoefde ook niet, zolang ik er maar aan verdiende. De handel ging allemaal handje-contantje. Je moest de portefeuille meenemen. In Zwolle en Doetinchem hoefde je geen contanten meer mee te nemen. Er zat een vertegenwoordiger van de bank in het café die vroeg hoeveel geld je moest hebben. De winst kon je ook direct storten. Dan hoefde je niet zoveel geld bij je te dragen. Dat was veiliger.

Elke koopman had zijn eigen standplaats. In Doetinchem kon ik zo’n vijftien koeien op een rij kwijt en had ik een paar kalverhokken. De kopers kwamen vanzelf. Je mocht officieel niet verkopen voor het begin van de markt om zes uur. Maar je trof van te voren vaak mensen aan wie je alvast verkocht. Dan ging je samen het café in om koffie te drinken. Dan ging je de markt op en kocht je weer wat vee om dat door te verkopen. Ik kocht zelf ook wel voor de tijd, vaak van leden van de Coveco [Coöperatieve vereniging voor veeafzet en vleesverwerking] die van wat verder kwamen. Die mensen dienen niet hun eigen belang. Dan liep ik er ’s ochtends vroeg al langs en kocht er wat. Daarna ging ik ze verder markten op mijn eigen plek. Zo goed als het ging. Wat je op de markt kocht, zat geen vrachtprijs op en geen marktgeld. Dat scheelde zo al 15 gulden. Enkele handelaren kochten alleen op de markt om door te verkopen. Wij noemde ze schorsers. Als ze maar 5 gulden extra beurden hadden ze al winst.

Handel is vraag en aanbod. Als het aanbod groot is, neemt de vraag af. Soms zakte de markt ineens in elkaar. ’s Morgens heb ik eens iemand geld geboden, maar hij wilde niet. ’s Middags kocht ik die koeien voor honderd gulden minder. Dan zeggen ze: “Ja maar, vanmorgen...” “Ja, vanmorgen is geweest.” Je moet je gedachten er goed bij hebben. Ze willen je de knip wel leeghalen. Als je zeker wist dat de koeien meer waard waren dan de ander ervoor wilde geven, zei ik: “Dan laat ik ze ophangen.” Dan gingen ze naar de slager, want ik had ook een vergunning voor de handel in geslacht vee. Ik verkocht veel vee aan grossiers [groothandelaren], die ze naar de slacht brachten. Grossiers waren niet zulke brave jongens. Men verkocht op de markt veel koeien per kilo. Dan deden ze er bijvoorbeeld een ander weegbriefje bij. Er was veel afgunst tussen de handelaren. Ik had behoorlijk veel handel. Dat konden anderen niet aanzien. Ik heb altijd geprobeerd een goede naam te houden.

Veel kooplui dronken een borrel na afloop van de handel. Van vroeger uit was dat al zo. Daar heb ik nooit aan meegedaan. Er zijn er verschillenden aan kapot gegaan. Dan doe je toch domme dingen. Ik dronk meestal koffie of wat anders, maar nooit een borrel. Je had ook zegengeld. Dan kreeg je een knaak toe op een koe voor geluk. Als je een koe voor 800 gulden had verkocht, kreeg je het geld met een knaak erbij. Veel handelaren kochten daar een borrel van.

Op een gegeven moment kwam de stierenhandel op. Sommige boeren legden zich toe op het opfokken van jonge stiertjes. Deze handel was sterk op export gericht. Het moesten goed bevleesde stieren zijn en geen vetzakken. Dat ging vaak om een geslacht gewicht van 300 kilo. Die kon je goed verkopen. We kochten er een enkele honderden uit een stal. Ik stuurde veel stieren naar exportslachterij Van Zwelm in Nijmegen. Van daaruit gingen ze heel Europa door. Die slachterij wilde goede stieren hebben. Er werd over geen prijs gesproken. Hij betaalde je na het slachten direct uit en hij betaalde goed. Aan de export in levende have heb ik niet meegedaan. Ik was meer een schakel tussen de boeren en de slachterijen.

De handel hebben ze later helemaal stuk gemaakt. De handel op de markt bepaalde de prijs van de slachthuizen. Nu zijn alle markten door de overheid verboden. De kooplui gaan de boer op en zeggen: “Doe ze maar mee. We zullen ons best doen.” De grossiers kunnen betalen wat ze kwijt willen. De een na de andere handelaar is over de kop gegaan. Die handel had moeten blijven! De handel is het mooiste wat er is. Ik doe het nog wel eens als ik kleren koop. “Ben je nu helemaal bedonderd? Ik wil er hooguit dat voor geven!”’

Reacties