Geplaatst door: 
Verhaal

Johan te Lintelo: 'Eén hengst heeft er negentien op een dag gedekt'

‘Ik kom uit Brammelo, gemeente Haaksbergen, van boerderij de Belshof. We woonden op de grens van Overijssel en Gelderland. Ik had één oudere broer, een tweelingbroer en twee zussen. Mijn vader had een gemengd bedrijf van 30 hectare, waarvan tien à twaalf hectare bouwland en de rest weiland. We hadden meestal achttien melkkoeien en wat fokvarkens. Mijn vader had ook een paardenhandel en hengstenhouderij.

Met de hengstenhouderij is hij begonnen toen hij 19 jaar was. Het heeft hem nog heel wat moeite gekost om daarvoor toestemming van zijn vader te krijgen. Hun buurman Harrink was ook hengstenhouder. Hij was in Neede verongelukt toen hij bij de val van een steigerende hengst zijn nek brak. Mijn opa was bang dat mijn vader ook een ongeluk zou krijgen. Toch is mijn vader rond 1882 met de hengstenhouderij begonnen. Ja, ik had een hele oude vader. Hij was van 1864. Toen hij trouwde was hij 57 jaar, mijn moeder 27.

Mijn familie hield zich al heel lang met  paarden bezig. Ik heb nog een oud dekbewijs van mijn overgrootvader uit 1829. Toen hadden ze een hengst bij de stoeterij Borculo. De burgemeester heeft dat bewijs ondertekend. Zo is dat toen begonnen. De paardenhandel zit in onze genen, ook van moederskant. Mijn oom handelde ook in paarden. Daarom zijn mijn vader en moeder ook bij elkaar gekomen, denk ik. Mijn moeder woonde hier op de boerderij. Ze is op het Rutbeek geboren, maar vanaf 12 jaar hier op de boerderij opgegroeid.

We hadden meestal drie merries staan. In Hengelo Gelderland had je elke veertien dagen een paardenmarkt. Mijn vader ging met eigen of gekochte veulens naar Hengelo om ze te verhandelen. Je reed erheen met een paard voor een karretje en een stuk of drie, vier paarden erachter. Later had Kuiper in Rietmolen een vrachtwagen en gingen de paarden met de vrachtwagen naar de markt. Op het laatst hadden we Belgische hengsten, maar daarvoor hebben we ook Oldenburgers gehad. De hengsten gebruiken we ook wel op het land. Met een lange stang zorgden we ervoor dat ze niet met de snuiten bij elkaar konden komen. Dat ging heel goed: twee vossen met witte staart en manen. Prachtig! Daar heb ik veel mee gereden. Mooi werk! Dat is niet meer. Je moest altijd zorgen dat je een mes in de broek had. Als je een ongeluk kreeg, moest je de paarden kunnen los snijden als ze bekneld zaten. Als ik op pad ging, zei mijn vader: “Heb je wel een mes bij je?”

Mensen uit de wijde omgeving kwamen bij ons langs om hun merries te laten dekken. Voor de oorlog was het dekgeld 11 tot 16 gulden, afhankelijk van de kwaliteit van de hengst. Als een merrie gust bleef kreeg je bij de volgende keer tien procent korting. Vanaf de oorlog liep de prijs van het dekgeld steeds verder op. We waren naar rato meer op de Achterhoek georiënteerd dan op Twente. We hadden ook een dekstation in Hupsel bij Eibergen en één in Zwolle bij Groenlo. Daar stonden we twee keer in de week met een hengst. Dan reden we er ’s ochtends om half vijf, kwart voor vijf met de dresseerkar naar toe. Daar konden mensen zich met hun merries melden. We hebben één hengst gehad die er negentien op een dag heeft gedekt. Dat jaar heeft hij 312 merries gedekt. Daarvan was 90 procent drachtig.

In Neede aan de Gelderse kant hadden ze een coöperatieve hengstenhouderij. Die wilde mijn vader kapot maken. Maar als je een ander wilt drijven, moet je zelf hard lopen. Mijn vader had altijd goede hengsten. Toen heeft de vereniging in Neede een dure hengst gekocht van 20.000 gulden. Ze meenden dat ze een beste hadden, maar de hengst werd afgekeurd en de zaak ging failliet. Vroeger werden de hengsten in Gelderland en Overijssel apart gekeurd. Je had een Overijssels en een Gelders stamboek. Als je een hengst in Gelderland wilde laten dekken, moet hij ook in Gelderland goedgekeurd zijn. Ik heb nog een diploma hangen van mijn vader uit 1909. Hij had een geïmporteerde hengst uit België, die hij in Hengelo heeft laten keuren. Hij is gekeurd als A-hengst. Later zijn de stamboeken van beide provincies gecombineerd. 

In 1947 hebben we een trekker gekocht. We waren één van de eerste boeren met een trekker. Er waren wel mensen die zeiden: “Je hebt een hengstenhouderij en nu begin je met een trekker?” Maar mijn vader voelde geweldig goed aan dat de tijd anders werd. Hij was modern. Je moet met je tijd mee. Hij zei altijd: “Jongens, als het niet meer wil met de hengstenhouderij, aan de kant en weer wat anders!”

Over de opvolging van mijn vader is geen discussie geweest. Ik had er zelf geen oren naar. Mijn oudste broer wilde ook niet boeren. Hij heeft een eigen huis gebouwd en schuren voor de trekkers. Daar had hij een loonbedrijf met paardenhandel. Hij deed veel in rijpaarden. Er was geen paard of hij wist de achtergrond. Hij was nog beter bij wat de handel betreft dan ik. Mijn tweelingbroer was een echte veeboer. Hij heeft het bedrijf van mijn vader overgenomen. Nu boert zijn zoon daar. Tot aan zijn dood ging mijn broer ’s ochtend om half zes het bed uit om bij het vee te kijken, nog voordat hij koffie dronk. Hij was ook de eerste boer in Haaksbergen met een loopstal eind jaren ’50. Mijn broer en ik zijn nog jaren samen hengstenhouder geweest. In 1962 ben ik getrouwd en hier gaan wonen. Toen zijn we ermee gestopt. Mijn broer kon wel met hengsten omgaan, maar hij had er weinig gevoel voor. De koeien waren hem alles.'

 

Reacties