Geplaatst door: 
Verhaal

Jan Tepper: 'De Groninger boeren waren nogal afstandelijk tegenover gewone mensen'

'Mijn ouders zijn in 1942 getrouwd en hier komen wonen. Mijn grootvader van moederskant was ook uit Groningen naar Vroomshoop gekomen. Dat akkerbouwbedrijf aan de Twistveenweg bestaat nog steeds. Mijn vader moest de boerderij van de grond af aan opbouwen. Hij had een paard en een schoffeltuig. Zo is hij begonnen. Hij verbouwde fabrieksaardappels en graan. Na de oorlog heeft mijn vader eerst 16 hectare in het Twistveen van zijn schoonvader gehuurd en later hebben ze die grond uit de erfenis gekocht. Toen had hij 40 bunder.

Mijn vader had één vaste knecht en zes losse arbeiders in dienst. Die seizoenarbeiders werkten in het voorjaar in het veen. In de zomer kwam ze hier voor de graanoogst en in het najaar om aardappelen te krabben. Ze woonden in Vroomshoop, in het Zwarte Gat. Daar leefden ze heel armoedig. Er waren ook veel woonwagenbewoners die hier speciaal kwamen om aardappels te krabben. Dan kwamen ze hier in de woonwagen met een paard ervoor. Met de handen haalden ze de aardappels uit de grond. De aardappels gingen in manden op de wipkar. Bij de hoofdwijk werden ze aan kuilen gestort. Met het schip gingen ze vervolgens naar Coevorden. De schippers konden ongeveer 25 ton aardappels laden. Nu gaat dat in tien minuten in een vrachtwagen. Toen deden ze er een hele dag over om met kruiwagens de aardappels over een loopplankje in het schip te kruien. Later is de fabriek in Coevorden gesloten en zijn alle aardappelmeelfabrieken geconcentreerd in de Avebe.

Zaterdags kregen de arbeiders hun centen. Daarmee gingen ze rechtstreeks naar het café om jenever te drinken. Dat vond mijn vader heel erg. Hij zei tegen de mensen: “Je kunt van mij ook wel een borreltje krijgen. Ga dan naar huis toe, naar je vrouw en kindertjes.” Er is een verhaal over een man uit de buurt die door zijn kinderen uit het café werd gehaald. Hij is toen opgehouden met drinken en heeft al het geld opgespaard. Toen zijn vrouw jarig was, heeft hij haar een nieuwe fiets gegeven.

De Groninger boeren waren nogal afstandelijk tegenover gewone mensen. Ze dachten: “Wij zijn grote Groninger boeren.” Het personeel kwam daar niet in de keuken. Die konden op de deel koffie drinken. Mijn vader was een buitenbeentje. Die nam de mensen wel mee naar de keuken om koffie te drinken. Hij stond naast zijn werknemers.

Een hechte gemeenschap vormden de veenkoloniale boeren niet. Er was na de oorlog wel een actieve korfbalvereniging. Die maakten ook wel gezamenlijke uitjes. Maar nabuurschap had je hier niet veel. Groninger boeren zijn behoorlijk stug. Ze willen zoveel mogelijk zichzelf redden. Alleen met begrafenissen hielpen de buren. In mijn jeugd hielpen de buren elkaar ook nog wel eens met strobaaltjes binnenhalen enzo. Dat is nu allemaal afgelopen.'

Reacties