Geplaatst door: 
Verhaal

Jan Nijland: 'Ik vond het machtig mooi om bij de coöperatie te werken'

'Na mijn diensttijd ben ik bij de ABTB in Haaksbergen gaan werken. Ik kwam in december 1959 uit dienst en was nog geen drie dagen thuis of ze kwamen al vragen of ik niet bij hen wilde komen werken. Ik was bij de ABTB het manusje van alles. Eerst heb ik op kantoor gewerkt, maar dat beviel mij niet zo, toen kwam ik in de buitendienst. Ik ging de boeren bij langs met veevoer, maar deed ook veel pluimveeselectie. Ik was ook plaatsvervangend filiaalhouder, als dat nodig was. “Laat de Busse dat maar doen”, zei de directeur. “De Busse” is onze boerennaam. Dat deed je dan. Je moest bijhouden wat de mensen gehaald hadden. Zo heb ik 16 jaar bij de coöperatie gewerkt.

De ABTB stond aan het begin van de Goorsestraat bij het spoorwegmuseum. Er werkte in mijn tijd zo’n vijftien man. Een jaar of drie terug is het gebouw afgebroken. De Landbouw, de coöperatie van andersdenkenden, stond erachter. Die hebben ze nu opgeknapt. Vroeger was er een groot onderscheid tussen katholiek en christelijk of algemeen. Hier in de buurt is 90 procent van katholieke huize. Aan de andere kant van Haaksbergen zitten meer andersdenkenden. Toch verkochten we niet alleen aan katholieke boeren. Wij waren wat scherper in de prijs dan de Landbouwvereniging. Varkensvoer bij hen kostte bijvoorbeeld 18 gulden en bij ons 16,80. Zo’n verschil komt wel voor de dag. Dat gaf wel eens schermutselingen. Vandaag kopen de boeren overal en nergens in. Dat was toen nog niet.

Wij maalden en mengden veevoer en brachten het naar de boeren. Eerder haalden de boeren het meel altijd op bij de coöperatie. Later kwamen er vrachtwagens en kregen ze de bestelling aan huis. De klanten waren in ritten verdeeld. Dinsdags deed je die kant van Sint Isidorushoeve, woensdags Buurse, donderdags Veldmaat… Zo ging dat. Bulkvervoer had je in het begin nog niet. Het meel werd nog in zakken verpakt. Driemaal daags bracht je een vrachtwagen met zes ton meel weg. Je bracht dus zo’n achttien ton per dag weg. Dat deden we met twee man. Degene die op de wagen stond, zette de zakken klaar. De ander nam ze op de schouder. Dat was slagwerk. Je wist waar de boer het meel wilde hebben. De koeken en de brokken moesten daar naar toe en het varkensmeel in de schuur. Het waren allemaal gemengde bedrijven. Het was aanpakken, maar je bent nog jong en dan hindert dat niet. Als het werk gedaan was, kregen we vaak een kop koffie van de boerin.

We deden ook in kunstmest en kolen, vooral in de winter. Dan probeerde je bijvoorbeeld Thomas Slakkenmeel aan de man te brengen. En steeds meer boeren kregen een trekker. Ze hadden eerst nog geen dieseltanks bij de boerderij. Nee, wij brachten ze vaten dieselolie van 200 liter. Die moest je met drie man tillen. Als we om half zes terug waren, hielpen we vaak nog even de winkel te bevoorraden, want er zat ook nog een Welkoop bij de coöperatie, die is pas een jaar of 3 geleden weggegaan. Je moest zijn waar het werk was.

De meeste boeren gingen alle weken naar de bond. Ze deden een nieuwe bestelling en betaalden voor de levering van de week ervoor. Dat ging nog contant. Het meel kwam voor een deel van het graan van de boeren zelf, vooral rogge en haver. Door varkensvoer zat bijvoorbeeld twintig procent rogge en vijf procent haver. Er werden ook mineralen, zemelen en afvalproducten bijgevoegd. Toen werd er nog veel vis- en diermeel gebruikt, wat nu niet meer mag. De granen gingen door de hamermolen en werd in een grote trommel met vismeel en mineralen gemengd. Veel producten kwamen per schip naar Hengelo. Aan de Handelsstraat was een overslag. Wij hadden een chauffeur die steeds tussen Haaksbergen en Hengelo op en neer reed en het zaakje hier in een stortput kiepte, van waaruit het naar grote silo’s ging. In 1963 zat het kanaal dichtgevroren. Toen moest alles via het spoor aangevoerd worden. Dat was een hectische tijd.

De coöperaties waren hier heel sterk. Het was allemaal van de boeren. Als we goed draaiden, kregen ze winst uitbetaald. Bij ons werkten bijna alleen boerenjongens. Daarvan ging er een deel later zelf boeren. Er werd hard gewerkt. Zaterdags moesten we vaak producten halen bij de boeren. Omdat wij vrachtwagens hadden en er weinig auto’s waren, hielpen we zelfs bij verhuizingen enzo. Al die werkzaamheden deden we er ook bij, als service. Ik vond het machtig mooi om bij de coöperatie te werken: de collegialiteit, de omgang met de mensen. “Hoe is het nou met de Bus?” Ik ben nogal coöperatief ingesteld: samen iets doen. Daar ben je ingegroeid: “de stoffelijke en geestelijke belangen waardig”. Die geestelijke belangen zijn tegenwoordig helemaal uit beeld.'

Reacties