Geplaatst door: 
Verhaal

Jan Maat: 'Mijn vader is altijd voormelker geweest en ik later ook.'

'Vroeger molken we thuis altijd nog met de hand. We hadden toen wel een stuk of twintig koeien. Voor die tijd was dat een flink aantal. Ik had twee broers en drie zussen dus we zaten bijna altijd wel met z’n drieën of vieren te melken. Dat ging prima. We hadden toen nog geen behoefte aan een melkmachine.  Mijn vader is altijd voormelker geweest en ik later ook. Dan gaf je les aan jongeren om hen het melken te leren. Dat leerden ze thuis ook wel, maar er waren ook cursussen om jezelf te verbeteren. De manier van zitten en hoe je je vingers moest gebruiken werd dan verteld. Je kunt namelijk ook verkeerd melken. Maar dan kwamen die jongeren hier thuis en dan deed ik ze het voor. Zo ging dat toen.

Nadat we trouwden heb ik nog een paar jaar met de hand gemolken, maar daarna hebben we toch een melkmachine aangeschaft. Die werd door de Cebeco, de coöperatie, verkocht. Achter het huis hadden we een paar spoorbielzen waar je de koeien aan vast kon zetten. Er liep dan een ijzeren vacuümleiding bovenlangs en de melk kwam in een kan. Het was een Hektor, een van de eerste melkmachines. In de zomer kwam er eens een keer onweer toen de koeien met zo’n kopriem aan de melkmachine vaststonden. De bliksem sloeg in op de vacuümleiding en er stond toevallig een koe tegenaan. Die is toen doodgegaan. Als je elf koeien hebt en er gaat er één dood, dan is dat wel veel.

De melk ging in die tijd naar de melkfabriek De Drie Provinciën in Steenwijk. Er kwam hier iemand met paard en wagen om de melkbussen op te halen. Dat was een lage wagen met een ijzeren bodem, waar de bussen goed op gleden. Meestal zette je de bussen om de twee meter neer. Het paard kende dat en liep eigenlijk gewoon rustig door. Die man gooide ze dan op de kar, liep een stap verder en dan weer een bus. Dat was veel makkelijker dan dat hij iedere keer moest stoppen en het paard de kar steeds opnieuw moest aantrekken. De vracht werd steeds zwaarder natuurlijk. In de loop van de dag brachten ze de lege bussen weer terug. Je kreeg dan ook wei en ondermelk terug, restproducten van de kaas- en boterbereiding. Je moest daar dan wel iets voor betalen. Later schreef je zelf een briefje van ik wil graag één stuk kaas en twee pakjes boter. Dat deed je aan de melkbussen en dan kreeg je dat in zo’n lege bus. Iedere veertien dagen werd het melkgeld uitbetaald. Daar zat ook een briefje bij met het vetgehalte van jouw melk. De boterbereiding was eigenlijk het belangrijkste voor de fabriek. Van mijn melk met vier procent vet kun je meer boter maken dan van mijn melk met drie procent. Dus het vetgehalte werd onderzocht en daar kreeg je ook naar uitbetaald.'

Reacties