Geplaatst door: 
Verhaal

Jan Maat: 'Die honderd kippen waren een mooie bijverdienste'

'Onze boerderij was begin 1940 klaar. In april of mei, vlak voordat de oorlog uitbrak, zijn mijn vader en moeder hier naar toe verhuisd. Ze hadden ongeveer 10 hectare grasland en 10 of 15 koeien, een beetje aardappelen en wat voederbieten, en misschien nog een beetje graan. Ook hadden ze een paar varkens, een paar fokzeugen, en honderd kippen. De eieren werden in van die houten kisten opgehaald en gingen naar de OPC, de Overijsselse Pluimvee Centrale. Die honderd kippen waren een mooie bijverdienste! Je hield een cent per ei over, of twee centen. Vandaag de dag heb je aan honderd kippen helemaal niks! 

Ik heb altijd meegewerkt op de boerderij. Toen mijn vader molk had hij naast de boerderij van 13,4 hectare nog wat extra grond. Dat lag aan de overkant van de gracht in de kragge, zo’n 5 of 6 hectare. Hij ging daar met zijn twee knechten per boot heen. Die percelen werden met de zeis gemaaid. Wij moesten ook mee om het gras los te maken met de hark. De tweede of derde dag werd het aan een wiers gedaan en met de vork maakten we oppers. Die bleven een paar dagen staan, soms ook wel een week of wat. Als je die oppers goed afwerkte kon er best wel wat regen op komen, dat maakte niet uit. Ze werden met de boot opgehaald. Ik hielp dan ook. Je had twee stokken die je er onderdoor drukte, en één stok aan de voorkant tegen de opper aan. Ik tilde dan van achteren. Dat was het lichtste deel omdat die stokken het langst waren. Jouk Bakker, de knecht, tilde van voren. Zo sjouwde je twintig, vijfentwintig oppers hooi in de bok. In de kragge zakte die drassige bodem bij iedere stap wel 10 centimeter naar beneden.  Dus het was echt zwaar werk. Zo ging dat toen. Mijn vader had versleten knieën en ik heb er ook wel wat last van.

We hadden ook nog grond op Jonen, in de Hevenpolder, dat ook weleens werd gehooid. Er moesten dan twee paarden in de bok en daarna moest de maaimachine erin. Dat lukte niet altijd even goed. Eén paard ging er makkelijk in, maar het tweede paard niet. We deden hem dan een jas over het hoofd en dan moest hij er uiteindelijk toch in. Als je in de Hevenpolder geen draad om de sloot had, was er geen weideafrastering. Nu kun je met een klein apparaatje stroom maken, maar toen niet. Als er dan pinken liepen werd er weleens gebeld, of kwamen mensen hier naar toe, dat er een pink in de sloot zat. Dan moest je daar naar toe. Het was vaak lastig om die beesten eruit te krijgen. Vaak namen we een lang touw mee met een lus eraan. Die lus gooiden we dan om de kop van zo'n pink en dan moest je trekken. Dan werd dat beest een beetje benauwd, ging hij trappen en sprong hij wel op de kant.

Naast het melkvee hadden we ook akkerbouw. En later fabrieksaardappelen met aandelen van de Avebe. De grond hier in de buurt is allemaal veengrond dat erg gevoelig is voor nattigheid. De graskwaliteit gaat dan nogal snel achteruit. Als je een jaar aardappelen verbouwd op een perceel, dan gaat alle kweek en het onkruid weg. Een gewas aardappelen is dicht. Daar stikt alles onder. Je krijgt de bodem dan weer goed los en als je weer inzaait krijg je nieuw grasland. Totdat we het bedrijf stopten hadden we altijd 3 of 4 hectare aardappelen. Het ging dan altijd om wisselbouw. Het ene jaar daar 3 hectare en het andere jaar weer ergens anders. Zo kreeg je ieder jaar aardappels op grasland, wat je dan scheurde. Dat gaf een redelijk goede opbrengst. En je kreeg daarna een goed gewas gras weer terug.'

Reacties