Geplaatst door: 
Verhaal

Jan Hoff: 'Hier kon je nieuw ontgonnen grond aan één stuk krijgen'

‘Na de oorlog had je een ruilverkaveling in Staphorst. Dat was heel wat. Er is een groep van vooraanstaande personen uit Vriezenveen naar Staphorst geweest om te kijken. Dat leek hen ook wel wat. Toen is er over gesproken om dat ook in Vriezenveen te doen, maar de meerderheid was tegen. Later heeft de overheid de knoop doorgehakt om een stemming over een ruilverkaveling te houden. In 1954 was de stemming. Er was al zoveel geld voor de verkaveling uitgetrokken dat het door moest gaan. Iedereen die niet kwam stemmen, werd gerekend als voorstemmer. Sommige mensen waren al 50 jaar dood. Die hadden nog stemrecht op papier. Uiteindelijk hebben de doden er voor gezorgd dat de verkaveling doorging. De meeste boeren wilden op zich wel meedoen aan de verkaveling. Het was juist een heel nat jaar. Dat maakte dat veel boeren er wel wat meer open voor stonden. Mijn vader stond er ook zo in: hoe eerder weg, hoe beter. Boeren die tegen waren, keken vooral tegen de onkosten op.

Wij hadden toen nog geen plannen om te verhuizen. Anders was er ook geen nieuwe keuken in de boerderij gekomen. Al je grond verkocht je aan de ruilverkavelingcommissie. Je had eigenlijk niets meer. Je moest alles tegemoet zien van de commissie. Op een gegeven moment vroegen ze: “Wie wil er naar het noorden?” De meeste boeren wilden liever naar het zuiden. Die grond was anders. Hier had je veen en daar niet. Dat maakte ons niet uit. Hier kon je nieuw ontgonnen grond aan één stuk krijgen. Er waren maar net genoeg kandidaten voor het noorden. Uiteindelijk was de commissie eruit. Iedereen kreeg kavels toegewezen. De boeren die naar het zuiden zijn gegaan, hebben uiteindelijk wel geluk gehad. De meeste boeren zijn daar uitgekocht vanwege de uitbreiding van Almelo.

Wij hebben 9,5 bunder ingebracht en kregen hier elf hectare terug. Eigenlijk moest je tien hectare hebben om te kunnen verplaatsen. Die extra grond moesten we bijkopen voor 800 gulden per hectare. Dat vonden we nog een heel bedrag, maar we hebben het toch maar gedaan. Boeren die later dan wij naar de Dalweg verplaatsten, moesten vijftien hectare hebben. Die kwamen op cultuurgrond waarvoor ze 3000 gulden per hectare moesten betalen. Zij waren dus duurder uit. Wij hebben later nog 2,5 hectare bijgekocht van grond die over was, omdat sommige boeren ermee ophielden en hun land verkochten aan de ruilverkavelingcommissie. De commissie wilde de boeren met tien hectare ook opvoeren tot vijftien, maar daarvoor kwamen ze grond tekort. Toen is het 2,5 hectare geworden.

Onze grond is met een diepploeger door de Heidemaatschappij ontgonnen. Die machine heette Karel de Grote. Daarginds is nog een gebied [de Engbertsdijkvenen] dat niet in de verkaveling is meegenomen. Dat ligt er nog bij zoals het hier vroeger overal uitzag. In het Veenmuseum daar laat zien hoe de mensen vroeger leefden. Na de oorlog haalden ze daar nog turf vandaan. Er zat toen nog wel een beetje handel in. Een treintje reed hier langs de weg om veen naar de turfstrooiselfabriek te brengen. Onze kinderen sprongen er wel eens op. Dan werd die machinist boos!

Er is alles op alles gezet dat op 1 november 1957 de opening van de eerste boerderij was. Wij zouden als eersten verhuizen. Het huis is gebouwd door een aannemer uit Vriezenveen. Onze boerderij wijkt af van die de buren. Zij hebben een klein woonhuis, met een schuin dak direct bij de verdieping. Wij wilden het huis liever hoger optrekken. Daarover hebben we met een architect gepraat. Hij zei: “De woonruimte wordt bepaald naar de grootte van de boerderij.” Zoveel kuub woonruimte kreeg je voor zoveel grond. “Het kan wel anders”, zei hij, “maar dan moet je bijbetalen.” Ik zei: “Verlopen de meerkosten via de verkaveling of gaat dat handje contantje?” “Nee”, zei hij, “dat kan wel via de verkaveling.” Ik zeg: “doorwerken!” Vandaar dat onze woning met een extra verdieping is opgetrokken. Zo kregen we vier slaapkamers boven.  

Voor alle onkosten kreeg je een renteloos voorschot van de overheid. Wij hebben 30 jaar lang 3000 gulden per jaar betaald, bij elkaar 90 duizend. Uiteindelijk had je er een nieuwe boerderij, een veeschuur, een kapschuur en een groot kippenhok voor. Zolang de verkaveling bezig was hoefde je nog niet af te betalen. In 1968 was het klaar. Pas in ‘69 zijn we begonnen met betalen. Wij zaten dus eigenlijk wel goedkoop. Andere boeren zijn nog in 1967 weggegaan. Die moesten bijna direct betalen. Onze oude boerderij mochten we ook zelf verkopen. De boerderij viel buiten de verkaveling. Die boerderij hebben we aan verkocht voor 7.000 gulden een aannemer die er een nieuw huis heeft voorgezet en de boerderij later heeft afgebroken. Een jaar na de verkoop werd de wet veranderd. Toen mocht je de boerderij niet meer zelf verkopen. Die was van de ruilverkavelingcommissie. Daar hadden wij dus geluk mee.’

 

Reacties