Geplaatst door: 
Verhaal

Herman Holstege: 'In ’s avonds lang doorwerken had ik geen zin'

'In de oorlogsjaren heb ik bij andere boeren gewerkt, vanaf een jaar of 17. Eerst ben ik samen met het buurmeisje bij een oom en tante van haar in Stokkum geweest. Die oom en tante hadden geen kinderen, daarom wilden ze ons hebben. Of ze ons wilden koppelen, weet ik niet, maar dat zat er wel in. Je zat ineens met een andere baas en vrouw in huis. Het was een ouderwetse boerderij. Ik had een kamertje met een kast met wat kleren voor mijzelf. Verder niets.

Het was een bedrijf van tien hectare. Dat kon die man niet alleen af. Het was allemaal handwerk: tweemaal daags melken, de stal uitmesten, mest strooien, hooi laden – de boer stak het op, in de herfst knollen trekken, ’s winters houthakken… Ik heb niets afgeslagen, ook al had ik er niet altijd zin in. Ik ging door totdat het werk af was. Ik wilde wel werken, maar het was allemaal zwaar werk. Dat viel mij wel tegen. We hadden afgesproken dat ik zondags vrij was, maar dat deed ik vaak niet. Ik had toch niets te doen. Het was oorlog! Er was niets te doen, geen muziek of iets. Mijn kameraden zaten te ver weg. Ik ging wel om met de jongens in Stokkum, maar echt weggaan was er niet bij. Ja, zondagochtend ging ik naar de kerk.

We zijn er één jaar gebleven. Mijn buurmeisje wilde daar ook niet blijven. De hele omgang beviel niet. Ik kon het niet zo goed met hem en zijn vrouw vinden. Hij was alleen maar op het werk gericht. ’s Avonds moest ik lang doorwerken. Daar had ik geen zin in. En je zat te ver van Markelo vandaan. Ik wilde daar al snel weer weg, maar dat kon ik natuurlijk niet maken, ook niet tegenover mijn buurmeisje. Je was in dienst vanaf 1 mei tot mei het jaar erop. Al in de winter heb ik overlegd met de boer dat ik weg wilde. Mijn loon ontving ik in één keer. Ik had een spaarbankboekje van de Rijkspostspaarbank. Later ben ik overgegaan naar de Rabobank.

Vanuit Stokkum ben ik bij een grote boer in Markelo gekomen. Die boeren wisten alles van elkaar. Ze zeiden: “Daar is nog een jongen vrij. Die gaat weer weg.” Dan gingen ze er direct achteraan. In Rijssen ging dat nog gemakkelijker. Daar overlegden ze gewoon bij de kerk. De boeren zochten voor hun zoon zelf wel een dochter uit. Ze probeerden dat je goed terecht kwam. Ik redde mijzelf. Mijn moeder zei toen ik 16 jaar was: “Je moet er wel achteraan dat je en vrouw krijgt.” Dat wist ik zelf ook wel.

Die boer in Markelo was een grote boer, tegen het dorp aan in de buurschap Beusbergen. Hij was huurboer van Weldam. Ik hoorde van een andere boer uit de buurt: “Die huurboeren van Weldam hadden het beter dan de eigen boeren.” Ja, hoe kan dat? De huren van het Weldam waren heel laag. Tegenwoordig zijn de huren hoog en gaan sommige boeren ervandoor. Maar mijn boer had het goed. Zijn zoon regelde het werk. De oude baas hielp wel met melken, maar deed verder niet veel. Hij was al 65 à 70 jaar. Hij was ritmeester geweest bij de cavalerie in de oorlog, zat in het kerkbestuur… Zijn zoon was korporaal geweest. Die had ook meer van de wereld gezien.

Als het melken ’s avonds afgelopen was, zat mijn werkdag erop. Dan kon ik nog wel wat doen. Er waren meer boeren met jonge knechten in de buurt. Daar ging ik veel mee om. En met mijn schoolkameraden. In Stokkum was ik nergens lid van. In Markelo kwam ik direct bij de jeugdvereniging van de kerk en bij de jeugd van de Landbouw BO. Ik was lid van de toneelverenging van beide verenigingen. Elk jaar was er een toneeluitvoering. Verder ben ik die schriftelijke cursussen gaan doen bij de volkshogeschool. Daar had ik ’s avonds alle tijd voor. Ik ben 3 of 4 jaar bij die boer gebleven, tot het einde van de oorlog.'

Reacties