Geplaatst door: 
Verhaal

Gerrit Kosters: 'Ik was filiaalhouder van een voerbank en van een geldbank'

Auteur: 
Leon Wessels

'Mijn vader werkte als particuliere wederverkoper van veevoer. Maar het bedrijf werd steeds minder rendabel. Er waren hier alleen maar kleine boeren. In de jaren vijftig deed mijn vader zijn bedrijf aan de kant en werd hij filiaalhouder in Manderveen van de Coöperatieve Landbouwersbank Almelo. De Landbouwersbank maakte veevoer in een fabriek in Almelo en verkocht het voer in Noordoost-Twente. Mijn vader had al klanten van zijn eigen bedrijf, dus de Landbouwersbank dacht, als we hem op een filiaal kunnen krijgen, nemen we die klanten over. En dat is ook ongeveer zo gegaan. Natuurlijk ging niet iedereen mee. Je had mensen die coöperatief waren, maar ook mensen die echt particulier waren. Die wilden niets met de coöperatie te maken hebben.

Als filiaalhouder van de Landbouwersbank werd mijn vader betaald op basis van wat hij verkocht. Tegelijkertijd droeg hij niet meer de verantwoordelijkheid van een eigen bedrijf. Opnieuw merkte hij hoe klein de boerenbedrijven in de omgeving waren. De filiaalhouder van de Landbouwersbank in Fleringen haalde met de helft van het aantal klanten dezelfde omzet. Ik ging langs de boeren om bestellingen op te nemen. Op een gegeven moment ging mijn vader werken als kippenselecteur en werd ik zelf filiaalhouder. Mijn filiaal was dagelijks geopend. Boeren konden er bestellingen doorgeven, eieren brengen – die verkocht werden aan de Landbouwersbank – en haver malen in de molen die naast het filiaal stond. De bestellingen werden steeds groter. Boeren bestelden steeds meer bulkgoed in plaats van zakgoed. Per bestelling werd wel duizend of tweeduizend kilo voer gevraagd. Ik gaf de bestellingen door aan het hoofdkantoor en zij bezorgden het bij de boeren. De filialen werden steeds minder belangrijk en ik hield tijd over.

Op een dag begon de melkfabriek in Tubbergen het geld uit te betalen op de bankrekening in plaats van contant. Een heleboel boeren haalden dat geld direct op, want ze wilden de veeleverancier contant betalen. Acceptgiro’s waren er toen nog niet. De Landbouwersbank wilde hier ook op overgaan. Ik werd gevraagd om een filiaal te leiden van de Raiffeisenbank in Manderveen. Ik was dus filiaalhouder van een voerbank en van een geldbank. In de praktijk liepen die functies door elkaar . In het begin hield ik zitting in het lokale café. Later kreeg ik een kantoortje aan huis. Als een boer langs kwam om voer te bestellen vroeg hij soms ook om wat geld van zijn bankrekening. En och, dan kon dan wel. ’s Avonds haalde ik het geld van de bank en van de coöperatie uit elkaar. Op de cent af natuurlijk. Wekelijks ging ik naar Almelo om het geld te brengen. Dat deed ik gewoon in mijn eigen auto. Er waren nog geen beveiligingsbusjes. Het werd wel steeds gevaarlijker. Ik zorgde er voor dat ik telkens een andere route nam.

Nadat de Landbouwersbank was opgegaan in de Verenigde Twentse Landbouwcoöperaties (VTL), was het Manderveense filiaal nauwelijks meer open. Mijn vrouw regelde dat voortaan. De directie vroeg mij wat ik wilde. Ik kon op kantoor werken in Almelo, in de fabriek of in de buitendienst. Dat laatste sprak mij wel aan. Ik had al een veevoedingscursus gedaan en ik ging graag de weg op. Ik kwam terecht in de gemeente Ambt Delden.'

Reacties