Geplaatst door: 
Verhaal

Dine Willemink: 'Mijn broers moesten allemaal boer worden'

'Mijn meisjesnaam is Bronsvoort. Ik kom uit Zuidloo, aan de andere kant van Bathmen. Wij woonden op een hele oude boerderij. De boerderijnaam was Littink. Ze noemden mij ook wel “Dine van Littink”. De geschiedenis van de Littink begint al in 1700. De boerderij is altijd in de familie gebleven, maar niet onder dezelfde naam. Als er alleen meisjes waren, trouwde er een jongen bij in. Ik ben 26 oktober 1923 geboren. Wij waren met ons tienen thuis: zes jongens en vier meiden. Ik was de op één na jongste. Er zat 20 jaar verschil tussen de oudste en de jongste.

We hadden 40 bunder grond, om en nabij de twintig koeien en wat varkens. In mijn tijd hadden we geen knecht of meid meer, omdat er genoeg broers en zusters waren. We moesten allemaal helpen op de boerderij. Dat krijg je als vanzelf mee. Niemand van ons heeft een ander vak geleerd. Nu kunnen kinderen kiezen wat ze willen worden. Dat was in onze tijd wel anders. Mijn broers moesten allemaal boer worden. Sommige jongens wilden wel doorleren, maar dat mocht niet van de oudelui. Ik ben na de lagere school in Bathmen nog 3 jaar naar de Vrouwenarbeid school, de Naaischool in Gorssel gegaan. Dat was een dagschool. In die tijd was het een voornaam iets dat je als meisje goed naaien kon. Veel kleding werd nog zelf gemaakt. Of je maakte van oude kleren nieuwe. Dat was toen heel populair. De school was heel breed. Je leerde ook zelf patronen maken. Als ik iets verder had geleerd, had ik misschien wel coupeuse kunnen worden. Ik maakte bijna alle kleren zelf, zoals overalls, werkbroeken en boezeroens, de daagse bloezen voor de mannen.

Toen ik van school kwam, moest ik als 16-jarige thuis aan het werk. Dat wist je gewoon. Je dacht niet: “Ik wil graag wat anders.” Mijn oudere zuster ging net trouwen. Het kwam dus goed uit dat ik met de school klaar was. Ik deed al het voorkomende  vrouwenwerk: helpen melken, melkbussen schoonmaken, ’s zomers hooien, rogge opbinden, knollen trekken. Er was een hoop te doen op de boerderij. Als je ’s morgens en ’s avonds helpt melken, ben je al veel tijd kwijt. We gingen meestal met ons vieren melken. Ieder deed vier, vijf koeien. Ik vond dat wel mooi werk. Alleen als het ’s zomers warm was op het land vond ik niet zo fijn. Werken met paarden heb ik nooit gedaan. Dat was mannenwerk. Ik hielp ook in de huishouding en in de groentuin. Zo deed ik bijvoorbeeld de was van acht personen. Tot mijn trouwen heb ik op de boerderij geholpen. Ik verdiende er eigenlijk niet wat mee. Als je wat nodig je had, dan kreeg dat wel. Dat was geen probleem. Zo ging dat toen. We hebben geen armoede gekend. Nee, we hebben het eigenlijk altijd wel goed gehad.'

Reacties